Wie het weet, mag het zeggen – deel 1

Vandaag nam ik deel aan een debat met de omineuze titel: “De Toekomst van de GGZ: Het debat.”, georganiseerd door de afdeling Beleidspsychiatrie van de NVvP. Dat klinkt als een hele kluif, om dat efkes te bespreken, maar het viel gelukkig mee. De opzet was leuk, met opponerende sprekers die er ‘met gestrekt been’ in mochten gaan. Maar in ons polderlandje valt zo’n oproep op dode oren (tenzij je er Project X achteraan twittert). Het was dus een kalme, vruchtbare uitwisseling van ideeën. Na de sprekers volgde in groepjes discussie, wat erg levendig was. En warempel ook wel met enige ‘common ground’ tussen de oorspronkelijke posities. Leuk genoeg om verslag van te doen, en mede op verzoek van een paar deelnemers zal ik eerst mijn eigen bijdrage hier op de blog zetten, en vervolgens iets van de discussie weergeven.

Mij was gevraagd om de stelling te verdedigen dat ‘kwaliteit’ het beste bepaald kan worden door de professional, op basis van ‘lokale’ normen, dus bij wijze van spreken: kwaliteit is iets tussen hulpverlener en patiënt. Nou denk ik daar wel anders over, maar ik kon mijn ei er wel in kwijt, meende ik, dus ik heb het maar aangenomen.Ik had bedacht om mijn bijdrage in tweeën te splitsen, met eerst een speelse schets van de situatie nu, en vervolgens een inhoudelijke analyse.

Vandaag post ik deel 1, deel 2 volgt morgen. Share and enjoy. Update 26-9-2012: dit verhaal samen met deel 2 is nu ook als Slideshare presentatie te volgen inclusief audio (dat heet een webinar, zo heb ik begrepen, totaal ca. 45 min maar erg de moeite waard 😉 via deze link.

‘Smaken Verschillen – Een Sprookje van de Culinariteit.’

Er was eens, in een land hier ver ver vandaan, een koning, die heel erg van lekker eten hield. Dat kwam mooi uit, want hij woonde in een land dat bekend stond om zijn uitstekende culinaire kwaliteit. De koning, die een beetje dom was, maar gelukkig getrouwd met een mooie Zuid-Amerikaanse schoonheid, had al lang geleden het beheer van het eten overgedragen aan zijn hertogen en graven. Je had graaf Achmea, hertog Menzis, markies Univé en nog een stel baronnen en burggraven. Zij moesten het geld verdelen tussen de culinaire instellingen, en toezien op de kwaliteit en de prijs. De burgers betaalden de graven, die betaalden de restauranthouders, en als de mensen gingen eten, stuurde de restaurant de rekening naar de graaf.  In de vette jaren liep dit prima, al had je natuurlijk altijd weer kleine oorlogjes tussen de graven en hertogen, waardoor uiteindelijk maar 4 grote graafschappen overbleven die het rijk verdeelden. Maar het eten kon goed betaald worden, werd warm opgediend omdat de wachtlijsten waren weggewerkt, en de meeste mensen waren tevreden. Dit systeem heette: de Culinariteit.

Maar er was een probleem. Een stel nare heksen had een brouwsel van toxische doorverkochte hypothecaire leningen gemaakt, die aan argeloze burgers verkocht en vervolgens de boel als een kaartenhuis laten instorten. Het koninkrijk was daardoor arm geworden en iedereen vroeg zich af hoe het eten betaald moest worden. Elke florijn moest omgedraaid worden, ook in de Culinariteit.

Gelukkig had de koning drie wijze raadsmannen: Prijs, Waterhuis en Koepers, en die hadden een mooie oplossing: ze lieten de draak Marktwerking los op het land, en die legde het vuur aan de schenen van de koks en de restauranthouders. Marktwerking  had 1 duidelijke boodschap voor de Culinariteit: ‘ Moge de beste winnen. De rest wordt geroosterd.’

Nou, dat had effect. De koks gingen harder aan het werk. Ze vonden nieuwe gerechten uit. Mooie nieuwe restaurants verrezen. De graven en hertogen gingen ook aan de slag, gaven de burgers kortingen en legden de restaurants keurmerken en kwaliteitsrichtlijnen op. De restauranthouders maakten reclame met hun innovatieve producten, vooral het ambulant buffet en e-burgers werden razend populair. Af en toe werden er een paar burgers geflambeerd, maar als men daarover kwam klagen zeiden de wijze raadsmannen: ‘Ho ho, die draak is afgericht he, het is dus geen echte Marktwerking maar Gereguleerde Marktwerking.’ Dit werkte altijd.

Maar er gebeurden ook andere dingen die niet zo handig waren. Sommige restaurants fuseerden, zodat ze zich beter konden verdedigen tegen de draak. De koks kregen vaste menulijstjes van de graven, dan wisten die zeker wat voor eten er opgediend werd. Ze moesten elke dag precies bijhouden hoe lang ze met wel gerecht bezig waren geweest. De restauranthouders kwamen om in de keurmerken. Als de koks kwamen klagen bij de koning, zeiden de wijze raadsmannen: ‘De Culinariteit is veel te lang een black box geweest, de burger wil weten wat er in de keuken gebeurt. Transparantie is noodzaak.’ Dit werkte altijd. Sommige klanten waren echter niet tevreden, want die merkten dat de bediening steeds meer in een keurslijf liep en steeds minder tijd had voor een praatje.

Maar er was nog een nijpender probleem: niemand wist eigenlijk wat lekker eten was. Sommige klanten hielden van spijzig, anderen van flauw. Veel en vet of juist klein en artistiek. De graven hielden de restauranthouders voor dat ze klanttevredenheidslijsten moesten bijhouden, maar de klanten hadden na het tafelen weinig zin om de lijsten in te vullen, bovendien was de helft toen beschonken waardoor er twijfels waren bij de validiteit van de resultaten. De graven, die van Marktwerking ook moesten concurreren, gingen bij gebrek aan zicht op kwaliteit maar geld geven aan de goedkoopste aanbieder. Daardoor schoten de HSK’s en McDonalds uit de grond (HSK betekent trouwens de HogeSnelheidsKeuken), die door de fijnproevers badinerend als ‘eetfabrieken’ werden aangeduid, en moesten restauranthouders delen van hun restaurant verkopen of verhuren om rond te komen. De koks en obers moesten nóg harder rennen. Ondertussen viel het de restauranthouders op dat de graven en hertogen in steeds grotere leasebakken reden, en hun geldpakhuizen steeds groter werden, maar als ze daarover klaagden zeiden de wijze raadslieden: ‘De graven en hertogen hebben geen winstoogmerk.’ Dit werkte altijd.

Omdat iedereen van de draak flink moest produceren, raakte het geld nóg sneller op. Dat was nou juist niet de bedoeling. ‘Nou, wie het weet, mag het zeggen,’ zei de koning. ‘Ik weet het!’, zei de nar KaaPeeMGee. ‘We laten de mensen gewoon zelf betalen voor hun eten!’ ‘Briljant!’, juichten de wijze raadslieden.

Maar het volk begon nu écht te morren, want de arme burgers kwamen in geldnood en konden het eten niet eens betalen. Prinses Maxima beklaagde zich hierover tegen de koning. ‘Ach Maxima,’ zei de koning, ‘waarom maak jij je toch altijd zo druk over de Minima!? Ze kunnen dat eten toch ook zelf uitvogelen?’ En de wijze raadslieden zeiden: ‘Herstel, dat doe je zelf.’ Dit werkte altijd, maar nu effe niet. Het volk bleef namelijk morren, want hun maandelijks Culinariteitsrekening ging steeds verder omhoog. De koks waren de draak zat, en zeiden: ‘Weg met de Marktwerking!’ ‘Gereguleerde Marktwerking he,’ zeiden de wijze raadslieden. De graven zeiden: ‘We moeten Marktwerking juist de vrije hand geven, hij is nog veel te lief.’ En de koning, die zuchtte, en wist het niet meer. KaPeeMGee deed een dansje en zei: ‘Lekker eten is een mix van zoet en zuur. Laat ze blijven concurreren, maar nu op kwaliteit!’ ‘Maar wie gaat nu bepalen wat kwaliteit is?’, vroeg de koning. ‘Wij!’ Zeiden de graven, die stiekum achter de gordijnen hadden meegeluisterd. ‘Wij!’, zeiden de koks, die zijn maaltijd hadden voorbereid. ‘Wij!,’ zeiden de restauranthouders, die via videoconferencing meekeken. En KaPeeMGee, die lachte alleen maar, en zei: ‘Sorry, ik ga ervandoor, ik moet dringend een formatie leiden.’

De koning was doodongelukkig. Iedereen had het over kwaliteit, maar niemand wist wat dat was. De één vond dat je zoveel mogelijk klanten moest helpen voor een redelijke prijs, de ander wilde geen concessies doen aan kwaliteit, weer een ander was een prijsvechter die middels een slimme recycle techniek dezelfde hamburger wel drie keer kon verkopen, afijn, u snapt het. De Grote Vier dachten: hopeloos, deze club. En ze droomden van de tijd dat ze gewoon nog tweedehands auto’s verkochten.

Toen kwam er een reizende doedelzakspeler. Omdat iedereen hem met stenen bekogelde als hij doedelzak ging spelen, was hij maar organisatieadviseur geworden. En hij zei: ‘Wat hebben jullie het toch raar geregeld. De Graven eten wel samen met de restauranthouders, maar niet met de koks. De burgers eten wel bij de restauranthouder, maar schuiven nooit aan tafel bij de Graaf. En de koning eet vrijwel altijd in zijn ivoren toren, in het kasteel. Waarom gaan jullie eigenlijk nooit samen aan tafel zitten?’ De hofarts riep ‘Ja! Een keukentafelgesprek!’ Maar de koning had een hekel aan de hofarts omdat ze teveel rookte, en flikkerde haar in de hofvijver. De doedelzakspeler zei dat je ook niet de koninklijke tafel moest gebruiken, maar duizend kleine tafeltjes, in elke stad één, waar een Afgezant van de Koning, de Voorzitter van de lokale eetclub, de restauranthouder en de Graaf samen moesten gaan dineren. De kok schoof ook aan tafel nadat hij waarneming had geregeld. De Graaf die zoveel winst had gemaakt op de doorverkoop, moest van de koning de etentjes betalen, de uitnodigingen versturen, en de reiskosten vergoeden van de arme burgers die de reis niet konden betalen. De koning en zijn hofhouding stelden elk jaar vast hoeveel er mocht worden uitgegeven aan eten, en tijdens die heerlijke etentjes, kwamen ze er samen wel uit, wat lekker was. En de doedelzakspeler en de draak trokken verder naar een ander land, want waar Marktwerking gaat, volgen organisatieadviseurs op de voet.

Ze aten nog lang en gelukkig.

Advertenties

4 thoughts on “Wie het weet, mag het zeggen – deel 1

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s