Week van de Kwaliteit afl. 2: Zorgbalans

Goed mensen, op naar het echte werk. Vandaag gaan we een kijkje nemen naar wat onze eigen overheid te melden heeft gehad in de laatste tien jaar over kwaliteit van zorg, en met name gaan we de Zorgbalans raadplegen. Voorheen verscheen deze elke twee jaar, sinds 2010 elke vier jaar. Misschien willen ze het slechte nieuws uitsmeren. Of zoiets.
Maar waarom, hoor ik u vragen, moeten we nu op onze vrije avond overheidsrapporten lezen? Kunnen we niet iets leukers doen, zoals onze teennagels laten uittrekken of een wortelkanaalbehandeling? Vraag het maar aan Abraham Lincoln, zou ik zeggen.

Wat zei Honest Abe ook alweer? ¨You can fool all the people some of the time, and some of the people all of the time, but you cannot fool all the people all of the time.¨ Zeker in de zorg is het voor de de burger erg lastig om goed zicht te krijgen op wat er speelt, wat er wel en niet goed gaat, en waarom. En helaas moeten we constateren dat onze overheid niet bepaald meewerkt om helderheid te bieden, zelfs liever soms rookgordijnen legt. Gebrek aan kennis, overzicht en inzicht bij de burger over onderwerpen als de financiële sector en de zorg is een van de redenen dat de revolutie nog niet is uitgebroken. Deze blogs zijn dus bedoeld om een kleine bijdrage te leveren aan de empowerment van burgers, waaronder zorgprofessionals en patiënten. Kennis is macht immers. Onder het motto ¨Alan ploegt de rapporten door zodat u het niet hoeft¨ vervul ik een public service in de hoop dat u zich daarmee wapent tegen desinformatie en misleiding. Net als eerdere blogs is ook deze bedoeld als een naslagwerk dat u later nog eens kunt raadplegen als er bijvoorbeeld iemand weer eens roept dat we het beste zorgstelsel ter wereld hebben. Quod non. Okee, thee en koekjes erbij, neem uw tijd, en daar gaan we.

Zorgbalans 2006 – 2014
We hebben rapporten uit 2006, 2008, 2010 en 2014 tot onze beschikking. Deze bronnen leveren een goed beeld op van brede ontwikkelingen in de zorg, en van welke zaken beleidsmatig voorrang krijgen vanuit de overheid.

Zorgbalans 2006
De eerste Zorgbalans (ZB2006) gebruikt 125 indicatoren om een beeld te vormen over de Nederlandse gezondheidszorg, daarbij verwijzend naar het OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) rapport ‘Towards high-performing health systems’ (2004). De OECD beschreef in dat rapport grofweg vijf speerpunten: kwaliteit, toegankelijkheid, vraaggerichtheid, duurzaamheid en doelmatigheid. Daaraan kun je dus lezen dat kwaliteit van zorg niet het enige is dat voor een goed zorgstelsel belangrijk is. Het gaat ook om de betaalbaarheid, of de zorg voor iedereen bereikbaar is, enzovoort. De vraag is dan natuurlijk: wat zetten landen op de eerste plaats? En hoe organiseren ze hun zorgidealen?

In ZB2006 staat met betrekking tot de GGZ ‘effectiviteit’ centraal, gemotiveerd door cijfers m.b.t. het hoge aantal Nederlanders in de bevolking die last heeft van een psychische stoornis (ZB2006 pag 50). De cijfers die gepresenteerd worden hebben voornamelijk betrekking op de mate waarin de GGZ in staat is deze groep te bereiken en in behandeling te nemen. Dat betekent dus dat uitbreiding van de GGZ positief werd gewaardeerd. Interessant om te lezen vanuit het perspectief van nu, waarin de GGZ om de oren krijgt vanwege de ¨onhoudbare groei¨. Iets met hoofd en boter, overheid. De kwaliteitsindicatoren voor de GGZ betreffen in 2006 vooral dus bereik, met daarnaast een paar specifieke indicatoren zoals verbetering op een schaal voor sociaal en psychisch welzijn, of het aantal geslaagde suïcides. Een ander aandachtspunt was institutioneel kwaliteitsbeleid, dus of een instelling HKZ-gecertificeerd was, een kwaliteitsbeleid voerde, en protocollaire zorg toepaste. ZB 2006 geeft net als andere edities ook een beeld van de tevredenheid met en de waardering van de zorg door burgers en zorggebruikers. Die is doorgaans positief, al scoort de GGZ lager dan de totale gezondheidszorg. Opvallend is dat gezondheidszorg door zorggebruikers hoger gewaardeerd wordt dan door de totale groep burgers, wat duidt op een kennelijk negatiever public image, en tevreden klanten.

Zorgbalans 2008
In ZB2008 wordt over het geheel gesproken van gematigde groei van de uitgaven, vergelijkbaar met omringende landen, gemiddelde prestaties (“internationaal excelleert Nederland niet”), en ‘suboptimale’ doelmatigheid (oftewel: dit kan goedkoper). Kwaliteit, zo wordt geschreven, is nog geen sturende factor in de zorgmarkt (het nieuwe zorgstelsel was net van start gegaan). Het percentage burgers dat vond dat het zorgstelsel goed functioneerde, was voor en na de stelselwijziging nauwelijks veranderd (45 om 42%). Over zorgverleners was het oordeel veel positiever: negen van de tien mensen oordeelden zeer positief over artsen en over de zorg in het algemeen. Ook dit is in internationaal opzicht een gemiddelde uitkomst. Opvallend is dat er meer druk op de uitgaven gekomen: “Een groei in de zorguitgaven van 5% per jaar is ook in de komende jaren niet ondenkbaar. De vraag of ons gezondheidszorgsysteem voldoende doelmatig is, is hierdoor urgent.” Let wel dat precies dezelfde procentuele stijging in de voorgaande ZB anders werd gewaardeerd, wijzend op veranderde politieke belangen.

De kwaliteit in de GGZ werd opnieuw in termen van effectiviteit beoordeeld, opnieuw  door bereik als uitgangspunt te nemen. De specifieke indicatoren voor kwaliteit lijken tamelijk willekeurig gekozen lijken te zijn, zoals het percentage volwassenen met een ernstige angst-, stemmings- of verslavingsstoornis dat een adequate vorm van zorg ontvangt, of het percentage behandelingen dat in gezamenlijk overleg wordt beëindigd.
Dit zijn dus weer iets andere indicatoren dan in ZB2006. Hoewel de GGZ op dat moment een ¨Basisset Prestatie-indicatoren´ heeft ontwikkeld, dat een lijst moet zijn met kwaliteitsindicatoren die overal in het land worden toegepast zodat er vergeleken kan worden, concludeert de ZB2008 dat er nog “geen betrouwbaar beeld van de GGZ” gegeven kan worden. Kwaliteit staat nog steeds niet centraal als sturingsinstrument in de zorg. “Bij het inkopen van zorg is in 2006 en 2007 nog nauwelijks gebruik gemaakt van kwaliteitscriteria voor de ziekenhuiszorg.” ‘Transparantie van kwaliteit’ wordt belangrijker om zorginkoop op kwaliteit mogelijk de maken, een van de grote beloftes van het nieuwe zorgstelsel. Maar vooralsnog wordt op prijs ingekocht en geconcurreerd. Overigens is het een economische wet dat als er geen zicht is op kwaliteit, en er wordt op prijs geconcurreerd, dat je grote kans hebt dat de kwaliteit van het product daalt. Maar dat komt niet terug in cijfers, immers, die zijn er niet! Catch-22.

Het oordeel van de burger over de zorg veranderde een beetje: “De medische zorg (huisarts, medisch specialist en ziekenhuis) worden in 2006 positief beoordeeld, maar de oordelen over de langdurige zorg en wederom de GGZ zijn een stuk minder positief (SCP, 2007). Nederlanders zijn dus overwegend positief over de gezondheidszorg. Het vertrouwen lijkt echter wel af te nemen en verschilt erg tussen de verschillende onderdelen van de zorg. Over de curatieve zorg bestaat een veel positiever beeld dan over de langdurige zorg.” Opnieuw is het oordeel positiever over de persoonlijke ervaringen met zorgprofessionals: de meeste zorggebruikers zijn positief over de wijze waarop zorgverleners hen bejegenen. Zorggebruikers beoordelen de toegankelijkheid en bejegening zeer positief, op het vlak van coördinatie zijn de resultaten duidelijk minder positief. De Nederlandse zorg was meer vraaggericht dan in de meeste Europese landen.

Plotseling duikt in ZB2008 een interessante alinea op:
“Niet alleen de uitkomst maar ook het zorgproces zelf levert nut op (door het geven van vertrouwen, goede communicatie, waardigheid in behandeling, directe beantwoording van zorgvraag). Goede klantervaringen leveren nut op ook als deze geen positief effect hebben op de gezondheidsuitkomst..”
Opvallend is dat hier, zonder verdere onderbouwing, ‘goede klantervaringen zonder gezondheidswinst’ onderdeel worden gemaakt van het thema kwaliteit. Dit is de eerste introductie van wat ik een commerciële waarde zou noemen in de ZB. Interessant in dit verband is een geciteerd RIVM onderzoek waarbij burgers gevraagd wordt de vijf beschreven zorgdoelen tegen elkaar af te wegen. De rechtvaardige verdeling van gezondheid krijgt daarin de hoogste prioriteit, daarna het niveau van gezondheid en financiële rechtvaardigheid. Klantgerichtheid kreeg een lager gewicht.

Zorgbalans 2010
In de ZB2010 is inmiddels vast komen te staan dat de kostengroei in de zorg voornamelijk te wijten was aan volumegroei (meer mensen in zorg, meer diagnostiek, meer behandelingen). Dit gold het sterkst in de GGZ. De volumegroei in de GGZ vond grotendeels plaats in het ambulante segment: dat groeide tussen 2007 en 2009 met ongeveer 8% per jaar.
Het totaalbeeld van de kwaliteit van zorg in 2008 is sterk vergelijkbaar met de situatie in 2004 en 2006: internationaal gezien vergelijkbaar met ontwikkelde landen. Maar op onderdelen zijn er zorgen: in de instellingen voor verpleging en verzorging staan de kwaliteit en de veiligheid van de zorg onder druk vanwege moeilijk vervulbare vacatures, toename van de zorgzwaarte en een hoge werkdruk voor het verplegend personeel. Ook binnen de GGZ is te zien dat de productiviteit toenam: de totale arbeidsinzet groeide iets minder snel dan de hoeveelheid geleverde zorg. Daarbij wordt gemeld dat dit gunstig kan zijn, mits het niet gepaard gaat met verlies aan kwaliteit (immers het kan wijzen op hogere werkdruk, lagere beschikbaarheid voor patiënten, zoals al eerder geconstateerd was in de langdurige zorg). Daar zijn zorgen over.
Maar kwaliteit wordt nog steeds niet eenduidig gemeten. Wederom wordt geconstateerd dat de zorgverzekeraars onderling op premie en prijs concurreren en kwaliteit een beperkte rol speelt bij de zorginkoop. ZB2010 luidt over het inzichtelijk en beschikbaar maken van kwaliteitsinformatie de noodklok richting de overheid (p.235). De sterke kostengroei levert zorgen op, waarmee doelmatigheid (en daaraan gerelateerd kostenbeheersing) dominante waarden worden binnen het beleid. De financiële crisis zal daar vast ook iets mee te maken hebben gehad. In ZB2010 wordt de effectiviteit van de GGZ op basis van een weer gewijzigde set indicatoren t.o.v. de jaren ervoor beoordeeld: o.a. drop-out percentage en de aard en uitvoering van het behandelplan. We kunnen dus moeilijk conclusies trekken over de ontwikkeling van kwaliteit door de GGZ, omdat de indicatoren telkens veranderen, net als de bestuurlijke prioriteiten.

De zoektocht naar kwaliteit verliep rond deze tijd denk ik een beetje zo:

Zorgbalans 2014
ZB2014 opent op een positieve noot: op het merendeel van de kwaliteitsindicatoren van de OECD scoort Nederland bovengemiddeld vergeleken bij andere welvarende landen. Zorgen zijn er over de ouderenzorg, vooral gebrek aan tijd en aandacht. Het tekort aan handen aan het bed blijkt een hardnekkig probleem, terwijl wederom de individuele professionals zelf hoog gewaardeerd worden. Praktijkvariatie staat duidelijk hoger op de politieke agenda. Dat wil zeggen: als er voor dezelfde aandoening bij aanbieder A twee keer zoveel uren worden gedeclareerd als bij aanbieder B, wil de overheid, via de zorgverzekeraar, weten hoe dat komt. De toegankelijkheid wordt bij uitstek als goed aangevoerd, waarbij de problematiek van wachttijden geslonken is. De financiële toegankelijkheid is, door het stijgen van eigen risico en invoeren van eigen bijdrage, ondertussen gedaald. Of dat goed of slecht is wordt in het midden gelaten, immers worden beide middelen internationaal ook als instrument gezien om ongewenst gebruik van ‘niet noodzakelijke’ zorg tegen te gaan. Wat we ook wel remgeld noemen dus. De gedachte daarbij is, dat als je het probleem erg of belastend genoeg vindt, je dat geld er wel voor over zult hebben. Bovendien komt er wat terug via zorgtoeslagen e.d. Een onderwerp op zich. Toepassing van eigen risico brengt in elk geval wel een duidelijk inkomenseffect met zich mee: lagere inkomens zien dan eerder af van zorg. Goed om te bedenken dat de kwaliteit van leven van mensen die om financiële redenen afzien van zorg niet gelijk terugkomt in welk kwaliteitsindicator van de zorg dan ook, immers: ze zijn niet in zorg.

ZB2014 ziet in de uitgavenontwikkeling een afvlakking ontstaan: “De zorguitgaven stegen in de periode 2000-2013 gemiddeld met 5,5% per jaar. In 2011, 2012 en 2013 vlakte deze groei af naar respectievelijk 2,5% en 4,3 en 2% per jaar.” Dit blijkt een internationaal fenomeen, grotendeels toe te schrijven aan de economische recessie, met daarnaast een rol voor het preferentiebeleid geneesmiddelen en lagere uitgaven aan preventie (wat waarschijnlijk vooral korte-termijn winst oplevert met het risico op langere-termijn verlies). De afspraken in de hoofdlijnenakkoorden (afspraken die de minister gemaakt heeft met ziekenhuizen, zorgverzekeraars, de ggz o.a. om een plafond af te spreken voor de groei en deze op verschillende manieren te beteugelen) zouden mogelijk zorgen voor aanhoudende gematigde groei. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het bruto binnenlands product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan de langdurige zorg. Ook over het probleem van de transparantie van kwaliteit is ZB2014 positief: er zijn veel initiatieven op dit gebied, de oprichting van het Kwaliteitsinstituut zal deze ontwikkeling een stevige impuls geven, en bij de inkoop begint kwaliteit een (bescheiden) rol te spelen.
Over kwaliteit gesproken: opvallend is dat cliënten een voorkeur lijken te hebben voor meer kwalitatieve, persoonlijke informatie (bijv. via Zorgkaart Nederland) m.b.t. kwaliteit, dan voor abstracte indicatoren.

ZB2014 constateert dat aan de voorwaarden voor het zorgstelsel nu beter wordt voldaan: zorgverzekeraars zijn gestart met selectieve contractering, en verzekeraars en zorgverleners krijgen meer contracteervrijheid. Echter, kritisch inkoopbeleid door zorgverzekeraars op basis van kwaliteit komt nog steeds weinig voor.

Voor de GGZ staat de ROM-ontwikkeling centraal. Geconstateerd wordt dat ROM “door zowel zorgaanbieders als verzekeraars omarmd wordt”, hoewel de bezwaren tegen het gebruik van ROM-gegevens als verantwoording naar de verzekeraars (van Os et al. 2012) wel genoemd wordt. Ook hier heeft men nog niet de gewenste situatie bereikt: “Vooralsnog heeft de ROM nog geen openbaar toegankelijke kwaliteitsinformatie opgeleverd. Het bestuurlijk akkoord 2013-2014 suggereert wel een ontwikkeling in de richting van meer transparantie.”

Dat het nog niet ideaal gesteld is met die transparantie moge blijken uit het initiatief van de minister om 2015 tot ¨het jaar van de transparantie¨ uit te roepen (heeft u er iets van gemerkt?) en transparantie heel erg centraal te zetten in de Toekomstagenda GGZ.

ZB2014 waagt zich aan een tussenstand met betrekking tot de algemene kwaliteit van het Nederlandse zorgstelsel. Wat daarbij opvalt is dat de positieve waardering voor het stelsel in het rapport niet voortkomt uit de prestaties van de zorg (immers de transparantie op kwaliteit is nog niet zover, dus dan kun je daar ook niet veel over zeggen), maar op de mate waarin het stelsel aan de basisvoorwaarden voldoet van hoe het stelsel theoretisch zou moeten functioneren. Dus dan is het al goed als er meer geROMd wordt, of als er -naar de smaak van ZB- genoeg concurrentie is tussen de zorgverzekeraars (via een kronkelredenering die ik u zal besparen). Zo wordt ook de omstreden beperking van de ‘vrije artsenkeuze’ als een positief punt beschouwd, omdat daarmee zorgverzekeraars een grotere contractvrijheid krijgen (die strijd is nog lang niet gestreden ondanks de blokkade door de Eerste Kamer vorig jaar). Dit is een mooi voorbeeld van hoe een politieke keuze doorwerkt in hoe kwaliteit bepaald wordt. Zorgbalans vindt dus het gegeven dat de zorgverzekeraar bepaalt dat u wel naar ziekenhuis A maar niet naar ziekenhuis B mag, een goede zaak, niet omdat gebleken is dat dit betere kwaliteit voor een lagere prijs oplevert, maar omdat het marktmodel zegt dat dit goed is. Ze stappen daarbij dus wel over het punt heen dat als je dit toestaat, zonder dat kwaliteit goed meetbaar en vergelijkbaar is, de kans op pure prijsconcurrentie en verlaging van de kwaliteit van zorg heel groot is. Je zou misschien kunnen concluderen dat kostenbesparing voor de overheid kennelijk een hogere prioriteit heeft dan kwaliteit. Of dat men het model, dat in zichzelf natuurlijk zeer politiek geladen is, heilig verklaard heeft.

Opvallend vond ik dat de ZB zorg beschouwt als een product als ieder ander, en dat de aandacht vooral uitgaat naar de verhoudingen van de spelers daaromheen. Dat zorg lang niet altijd in een productmodel te duwen en te evalueren is, wordt niet betrokken in de analyse. Verder wordt een aantal kwetsbaarheden, zoals de punten gebrek aan concurrentie, risicoselectie, en gebrek aan kwaliteitsinformatie, niet genoemd. Risicoselectie betekent dat je als patiënt als een financieel risico wordt gezien door een zorgverzekeraar (of een zorgaanbieder) en dat die probeert om jou zachtjes aan voor een concurrent te laten kiezen. Mag niet van de wet, maar de overheid is er zeker niet gerust op dat dit niet gebeurt en ik ook niet. Publiek geheim is dat ggz-klanten voor zorgverzekeraars niet de meest populaire groep zijn, financieel: veel persoonsintensieve zorg, moeilijk voorspelbaar, soms hoge kosten, grillig beloop.

ZB2014 is in de managementsamenvatting op punten positiever dan eerdere edities, vooral over kwaliteit en over de mate waarin het stelsel voldoet aan de voorwaarden voor goed functioneren. Echter bij nadere bestudering van het rapport dringt de vraag zich op of deze waardering wel zo hoog moet worden ingeschat. Een aantal aanpassingen in het stelsel, zoals de afbouw van de risicoverevening, het (mogelijk) afschaffen van art. 13, en de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren, passen inderdaad bij het doel concurrentie op kwaliteit mogelijk te maken. Echter tegenover deze voordelen, die voornamelijk in embryonaal stadium aanwezig zijn, staan reële nadelen, die (nog) in onvoldoende mate geanalyseerd zijn: risicoselectie, verlies aan keuzevrijheid, en –vooral- sluipend kwaliteitsverlies door prijsconcurrentie en te hoge productiviteitstoename.

Bij zoveel onzekerheid is de conclusie dat er nu beter voldaan wordt aan de voorwaarden voor het zorgstelsel dan in 2010 alleen te billijken bij een nauw economisch perspectief waarbij succes afgemeten wordt aan de hand van modelgetrouwheid. Maar ook dit is aanvechtbaar daar dit in ZB2014 gebeurt op grond van geselecteerde informatie. Cruciale gegevens ontbreken echter, eerst en vooral het beloop in de tijd van de kwaliteit van zorg, het optreden van risicoselectie en de toegankelijkheid tot kwalitatief goede zorg voor de risicogroepen, de regionale verschillen in concurrentiedruk en de uitwerking daarvan. De vraag of dit zorgstelsel succesvol is, kan vooralsnog niet positief kan worden beantwoord. De cruciale vraag, die niet beantwoordt wordt, is die of het zorgstelsel voldoet aan zijn publieke taak.

 

Conclusies Zorgbalans 2006-2014

Als we de ontwikkelingen uit de Zorgbalans rapporten op een rij zetten, dan zijn een aantal brede ontwikkelingen zichtbaar. Ten eerste het toenemende belang van kostenbeheersing (beleidsmatig vertaald in betaalbaarheid en doelmatigheid). In de tweede helft van het eerste decennium werd dit dé topprioriteit in de zorg. Nederland geeft echter nog steeds na de VS het hoogste bedrag per hoofd van de bevolking uit aan zorg ter wereld. In recente jaren lijkt, ook in de GGZ, de kostengroei af te nemen, waarschijnlijk grotendeels te danken aan algemene internationale economische ontwikkelingen (waardoor de relatieve positie van Nederland niet verandert), deels aan het geneesmiddelenpreventiebeleid, en deels aan de hoofdlijnenakkoorden, voor de GGZ vallend onder de Bestuurlijke Akkoorden. Voor de GGZ is de focus op kwaliteitstransparantie relevant. Waar aanvankelijk bereik gezien werd als belangrijkste beleidsdoelstelling voor de GGZ (en oogden de kwaliteitsmaten tamelijk willekeurig), werd kwaliteitsbenchmarking als noodzakelijke voorwaarde voor kostenbeheersing via selectieve inkoop, een centraal thema. Hierin zien we zowel centraliserende tendensen (ontwikkeling Zorginstituut Nederland en Netwerk Kwaliteitsontwikkeling) als decentraliserende (eigen kwaliteitscriteria zorgverzekeraars). Hierin zit ook een tegenstrijdigheid die de kern van het model van het stelsel raakt: zorgverzekeraars stellen verschillende voorwaarden aan kwaliteit om zich tov andere verzekeraars te profileren, maar tegelijk wil de overheid dat er centraal kwaliteitsrichtlijnen worden gesteld, die die zorgverzekeraars dan weer moeten gaan volgen. Het grote risico hierbij is een woud aan kwaliteitsindicatoren waar niemand zicht op heeft, en enorme bureaucratie omdat al die indicatoren afgevinkt moeten worden. Zoals een paar keer opgemerkt boven is er in deze situatie in een marktmodel een duidelijk risico op sluipend kwaliteitsverlies door prijsconcurrentie.

Tot een overeenstemming over kwaliteit is het nog niet gekomen. Daarmee kunnen we ook geen eensluidend oordeel geven over de ontwikkeling van kwaliteit van zorg in de GGZ over het laatste decennium. Het grote risico, dat het starten van concurrentie zonder kwaliteitstransparantie kan leiden tot prijsconcurrentie en kwaliteitsverlies, is daarmee voor de GGZ al meer dan vijf jaar actief, zonder dat dit in deze rapporten aantoonbaar is. Hoe positief de ZB2014 ook mag zijn over de ontwikkelingen in de zorg, het stelsel functioneert nog niet  zoals het volgens het eigen model zou moeten, en ook op cruciale onderdelen is er nog geen zicht is op het beheersen van bepaalde risico’s. Het enthousiasme over de toegenomen toepassing van ROM-metingen wordt gedempt door het bezwaar dat ROM nooit bedoeld is als benchmark. Hoe dit alles valt te rijmen met het doel van afnemende zorgbureaucratie, is moeilijk voor te stellen. Daarmee komen we bij de grote onbekende, namelijk de kosten van zorgbureaucratie in Nederland. Het is buitengewoon merkwaardig te moeten constateren dat wat door professionals als grootste bron van ondoelmatigheid wordt gezien, niet of nauwelijks meegenomen is in de ZB analyses. Al met al is wellicht het grootste probleem van de zorg in Nederland momenteel, dat we, ondanks forse uitgaven aan dataverzameling, zo weinig zicht lijken te hebben op kwaliteit.

De vraag rijst of we wel op de goede weg zitten om voor vele zorgproducten (DBC’s) indicatoren en praktijkvariatie te berekenen. Het moet misschien allemaal simpeler worden. In het aantal DBC’s is al een keer gesneden, en onderdeel van de Toekomstagenda GGZ is ook een ‘doorontwikkeling’ van de DBC’s dat moet leiden tot een sterke vereenvoudiging wat het hopelijk hanteerbaarder maakt. Voorlopig zijn we echter nog niet uit de penarie….

Morgen meer, dan gaan we het bolwerk van de NZA betreden, en gaan we op bezoek bij het Trimbos!

~AR

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s